Op zijn hoogtepunt stemden circa 17 miljoen Duitsers op de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei. Tegelijkertijd waren er ongeveer 2 miljoen mensen lid. Aangezien het partijprogramma niets aan duidelijkheid te wensen overlaat, kan men met een gerust hart stellen dat die leden gerekend mogen worden tot overtuigde Nazi’s. Maar dan resteren er nog 15 miljoen waarvan dat niet zondermeer met zekerheid gezegd kan worden. Uit studies (o.a Bullock) is wel gebleken dat er legio motieven een rol speelden om op de NSDAP te stemmen waarbij men niettemin, en dat is dan de consequentie, het antisemitisme op de koop toe nam. Men leek er niet echt over na te willen denken omdat de belofte van de terugkeer naar de Gouden Jaren in feite geen verbintenis houdt met antisemitisme. Het hoorde er nu kennelijk bij en bovendien zouden ze er niet door worden geraakt, zoals enkele jaren daarna ook bleek tijdens de Kristallnacht met als dieptepunt de Holocaust.
De vraag dringt zich dan op of die bewuste groep van 15 miljoen stemmers of althans een groot deel daarvan kan worden beschouwd als ‘gematigd’ ten opzichte van het partijprogramma en die 2 miljoen leden? Meer specifiek richt die vraag zich op het antisemitische element. Kan men daar gematigd in zijn? Het antwoord zou kunnen luiden van ja en wel in die zin dat men van mening is dat Joden weliswaar niet helemaal deugen maar dat het nu ook weer niet zo erg is om hen om die reden de dood in te jagen.
Nu heeft dat gematigde standpunt de geschiedenis weten aan te vullen met haar zwartste bladzijden zodat aan die gematigdheid geen positieve waarde kan worden gegeven. Dan blijkt dat men van radicaal verwerpelijke standpunten eenvoudig en resoluut afstand dient te nemen en dat een gematigde opvatting volstrekt uit den boze is. Wegkijken is onverantwoord en dat is nog licht uitgedrukt. Voor zover nog iemand durft te beweren dat evenwel de meerderheid ten opzichte van de 2 miljoen die-hards, toch gematigd was, is een bezoek aan een van de vernietigingskampen waarschijnlijk al verspilde moeite. En daarbij: wie hielpen de Nazi’s in het zadel door het partijprogramma voor zichzelf zo uit leggen dat het allemaal wel mee viel als men het in de juiste context begreep? Duitsland draagt een zware historische last inclusief de schaamte voor 15 miljoen ‘gematigden’ die het mogelijk maakte.
Recente Posts
Showing posts with label Religie en spiritualiteit. Show all posts
Showing posts with label Religie en spiritualiteit. Show all posts
Monday, 15 November 2010
Tuesday, 8 September 2009
Intolerantie of bescherming?
Geplaatst door
Pantorijn
Er zit in de discussie aangaande de islam natuurlijk altijd de schijn van een soort superieur trekje. Wie de wetten van een democratie wil laten plaatsmaken voor die van een opperwezen, is niet goed snik en wie meent dat geloofsafval met de steen bestraft moet worden is feitelijk achterlijk maar eerder barbaars. Het tegenargument dat dit in zijn aard geen sterk voorbeeld is van een ‘open mind’, heeft een punt. Het is ook inderdaad niet tolerant en heeft al helemaal geen binding meer met een te respecteren vrije gedachte. Hoe komt dit nu?
De vrijheid van godsdienst raakt in het islam-debat aan principes die het wezen van religies overstijgen. Het raakt aan de universele rechten van de mens. En die zijn niet voortgekomen uit goddelijke interventie maar een proces van zuiver menselijke overwegingen. Het westen heeft daarin de uitkomst van een eeuwen lange morele worsteling vastgelegd. Op die rechten is wellicht in de toekomst nog een aanvulling te doen, maar zeker geen afbreuk.
Waar het dan om gaat is, en hoe kan het ook anders, dat die rechten voor een orthodox gelovige toch een zweem van menselijke tekortkoming zou inhouden omdat men zelf beschikt over een boek waar in staat hoe het wel volmaakt zou zijn. Dat spanningsveld is tragisch maar bovendien principieel onoverbrugbaar. Immers, zodra men die rechten gaat vergelijken met willekeurig welk heilig boek zijn de overeenkomsten niet bepalend maar maken de afwijkingen het ‘goddelijke’ verschil. Bij die afwijkingen blijkt het opperwezen derhalve iets anders voor te staan dan we nu aan universele rechten hebben opgebouwd.
En dat zijn nogal een aantal verschillen wie de moeite neemt de verschillende heilige boeken door te nemen. De onderscheidende opperwezens, zo zou men de indruk krijgen, weten zelf ook niet zo goed welke kant zij op willen. En het is uit die overweging, dat het opperwezen net iets te willekeurig is in de bestaande religies en daarmee niet meer als universele waarheid te toetsen valt, dat voor het opstellen van de universele rechten van de mens deze geen rol heeft te spelen. Die rechten ontkennen geen opperwezen, maar hebben hem of haar ook niet nodig. Dat is geen minachting maar een zuiver rationele uitkomst.
Hiermee overstijgen die rechten de haarkloverijen binnen religies of doctrines. Ze worden universeel en zijn de toetssteen van elke handeling en overweging en zelfs van die gedachten die behoren tot de vrijheid van godsdienst. Op een zeker moment zou men kunnen stellen dat die universele rechten zelf ‘heilig’ zijn geworden. Maar die heiligheid is echter wel ontdaan van het sacrale en stelt de mens centraal in de maalstroom van het leven, in de volle overtuiging dat hij eerstens zijn naaste nodig heeft om te overleven. Een opperwezen is daarin materieel van geen enkele betekenis, zelfs niet als men op metafysische gronden aan deze het groeien van het graan toedicht. Dit laat zich het best vertalen in het spreekwoord dat een goede buur beter is dan een verre vriend.
En dan terugkomend op het vermeende superieure trekje en het in den aard intolerant staan tegenover elke overweging die niet samengaat met de universele rechten van de mens. Dat blijkt derhalve inderdaad schijn. Immers, die universele rechten zijn een zelfstandige toetsbare waarheid volgend op een langdurig proces van vallen en opstaan. Als men oordeelt vanuit een religieuze consensus aangaande de waarheid dan vervalt men doorgaans in een moreel superieure houding omdat deze geen toetsbaar element in zich draagt, maar zolang de objectieve en voor iedereen kenbare waarheid regeert is daar geen sprake van. Dan is kritiek op religie toetsbaar geworden. En dan blijkt ook waarom die intolerantie feitelijk niet meer is dan een vanzelfsprekende bescherming. Geen conservatieve grondhouding dus, maar een actief oog houden voor de mens in al zijn scharkeringen. Door dat te doen vervalt ook het respect wat men zou moeten opbrengen voor religies die de universele rechten – die objectieve waarheid - niet onderschrijven, er afbreuk aan zouden kunnen doen of juist dat toe willen voegen wat de vrijheid van de ongelovige of anders gelovige te kort doet.
Het is dit punt dat maakt dat de vrijheid van godsdienst, voor zover het publieke domein in het geding is, ondergeschikt is aan de universele rechten van de mens. Niet omdat de een beter zou zijn dan de ander – als dat al een overweging zou kunnen zijn -, maar omdat wij niet allemaal in hetzelfde opperwezen geloven dan wel helemaal niet geloven. In dat geval blijft slechts een kenbare waarheid over. Die onvervreemdbare vrijheid ziet zich vertaald in rechten die boven elke religie uitstijgen. In wezen is dus de norm dat wij alleen ongelovigen zijn. En die opvatting werkt bovenwel goed, hij wordt alleen door de orthodoxie zo slecht begrepen.
De vrijheid van godsdienst raakt in het islam-debat aan principes die het wezen van religies overstijgen. Het raakt aan de universele rechten van de mens. En die zijn niet voortgekomen uit goddelijke interventie maar een proces van zuiver menselijke overwegingen. Het westen heeft daarin de uitkomst van een eeuwen lange morele worsteling vastgelegd. Op die rechten is wellicht in de toekomst nog een aanvulling te doen, maar zeker geen afbreuk.
Waar het dan om gaat is, en hoe kan het ook anders, dat die rechten voor een orthodox gelovige toch een zweem van menselijke tekortkoming zou inhouden omdat men zelf beschikt over een boek waar in staat hoe het wel volmaakt zou zijn. Dat spanningsveld is tragisch maar bovendien principieel onoverbrugbaar. Immers, zodra men die rechten gaat vergelijken met willekeurig welk heilig boek zijn de overeenkomsten niet bepalend maar maken de afwijkingen het ‘goddelijke’ verschil. Bij die afwijkingen blijkt het opperwezen derhalve iets anders voor te staan dan we nu aan universele rechten hebben opgebouwd.
En dat zijn nogal een aantal verschillen wie de moeite neemt de verschillende heilige boeken door te nemen. De onderscheidende opperwezens, zo zou men de indruk krijgen, weten zelf ook niet zo goed welke kant zij op willen. En het is uit die overweging, dat het opperwezen net iets te willekeurig is in de bestaande religies en daarmee niet meer als universele waarheid te toetsen valt, dat voor het opstellen van de universele rechten van de mens deze geen rol heeft te spelen. Die rechten ontkennen geen opperwezen, maar hebben hem of haar ook niet nodig. Dat is geen minachting maar een zuiver rationele uitkomst.
Hiermee overstijgen die rechten de haarkloverijen binnen religies of doctrines. Ze worden universeel en zijn de toetssteen van elke handeling en overweging en zelfs van die gedachten die behoren tot de vrijheid van godsdienst. Op een zeker moment zou men kunnen stellen dat die universele rechten zelf ‘heilig’ zijn geworden. Maar die heiligheid is echter wel ontdaan van het sacrale en stelt de mens centraal in de maalstroom van het leven, in de volle overtuiging dat hij eerstens zijn naaste nodig heeft om te overleven. Een opperwezen is daarin materieel van geen enkele betekenis, zelfs niet als men op metafysische gronden aan deze het groeien van het graan toedicht. Dit laat zich het best vertalen in het spreekwoord dat een goede buur beter is dan een verre vriend.
En dan terugkomend op het vermeende superieure trekje en het in den aard intolerant staan tegenover elke overweging die niet samengaat met de universele rechten van de mens. Dat blijkt derhalve inderdaad schijn. Immers, die universele rechten zijn een zelfstandige toetsbare waarheid volgend op een langdurig proces van vallen en opstaan. Als men oordeelt vanuit een religieuze consensus aangaande de waarheid dan vervalt men doorgaans in een moreel superieure houding omdat deze geen toetsbaar element in zich draagt, maar zolang de objectieve en voor iedereen kenbare waarheid regeert is daar geen sprake van. Dan is kritiek op religie toetsbaar geworden. En dan blijkt ook waarom die intolerantie feitelijk niet meer is dan een vanzelfsprekende bescherming. Geen conservatieve grondhouding dus, maar een actief oog houden voor de mens in al zijn scharkeringen. Door dat te doen vervalt ook het respect wat men zou moeten opbrengen voor religies die de universele rechten – die objectieve waarheid - niet onderschrijven, er afbreuk aan zouden kunnen doen of juist dat toe willen voegen wat de vrijheid van de ongelovige of anders gelovige te kort doet.
Het is dit punt dat maakt dat de vrijheid van godsdienst, voor zover het publieke domein in het geding is, ondergeschikt is aan de universele rechten van de mens. Niet omdat de een beter zou zijn dan de ander – als dat al een overweging zou kunnen zijn -, maar omdat wij niet allemaal in hetzelfde opperwezen geloven dan wel helemaal niet geloven. In dat geval blijft slechts een kenbare waarheid over. Die onvervreemdbare vrijheid ziet zich vertaald in rechten die boven elke religie uitstijgen. In wezen is dus de norm dat wij alleen ongelovigen zijn. En die opvatting werkt bovenwel goed, hij wordt alleen door de orthodoxie zo slecht begrepen.
Thursday, 27 August 2009
God in het Flevoziekenhuis
Geplaatst door
Pantorijn
En zo was er in die dagen een verpleegkundige die het Woord verspreidde in het Flevoziekenhuis. Dat bleek de patiënten weinig te charmeren vanuit het idee dat ze al ziek waren en het niet veel erger moest worden. Het ziekenhuis ontsloeg de man wegens een overdaad aan 'blijde boodschap'. Deze ging vervolgens naar de rechter en die meende het volgende;
Deze verpleegkundige leeft in de volstrekte overtuiging dat een opperwezen zowel het universum, onze aarde en als laatste hem (minder direct als verpleegkundige maar als mens) geschapen heeft. Die overtuiging wordt dan terug gevonden in een boek waarvan de inhoud het Woord van dat opperwezen zou vertegenwoordigen.
De implicatie van dat Woord wordt somtijds letterlijk en dan weer allegorisch opgevat. Maar wat men er ook van moge denken: het is het opperwezen dat sprak, richtlijnen gaf en de opdracht zijn Woord onder de mensheid te verspreiden. De verpleegkundige voelde zich ‘geroepen’ en heeft dientengevolge het Woord verspreid, zij het niet naar de gunst van het Flevoziekenhuis.
Waar het nu niet om gaat is of door deze uitspraak het opperwezen, op welke grond dan ook, de mond is gesnoerd. Dit zou overigens een onterechte conclusie zijn. Het gaat ergens anders om en wel dit: de rechter (als mens) meent dat het opperwezen zich heeft te schikken naar de mores van de rechterlijke opinie. En dat is een weldegelijk een opmerkelijk verschil.
Vanuit de trap universum, aarde en mens ziet men, hoewel theologisch discutabel, dat sommige religies (en niet bij uitsluiting de islam) de ‘onderworpenheid’ aan het opperwezen als een logische inductie ziet. En daar zijn we bij de kern van de uitspraak: het Nederlands recht laat het totaal onverschillig of dat opperwezen nu bestaat of niet. En bijgevolg blijft er een totaal verwarde verpleegkundige over.
Het eerder genoemde ‘afserveren’ is in zijn essentie wezenlijk. Niet omdat de verpleegkundige niet begrepen werd, maar om zijn uitgangspositie die nu eenmaal tot de persoonlijke integriteit behoort. Daar wordt geen oordeel over geveld.
Kabouters (naar idee van Bertrand Russell) zijn van dezelfde orde als een god of welke willekeurige benaming dan ook. En dát was de consequentie waar geen rechtgeaarde gelovige vrede mee kan hebben. Als Nietzsche meent dat God dood is, is dit nog op te vatten als een dwaling, maar het ontbeerd in ieder geval een dodelijke onverschilligheid.
De verpleegkundige bleef echter hameren op het feit dat de staat een aan het opperwezen ondergeschikt uitvoeringsorgaan was. De essentie van de uitspraak begreep hij evenwel goed: het doet er namelijk niet toe of God bestaat. En daar kon hij geen vrede mee hebben. Als de rechter nog zou hebben gezegd dat God niet bestond zou hij hem uitgelachen kunnen hebben, nu stond hij met lege handen.
En dat laatste is iets waar ik wel nieuwsgierig naar ben. Waar gaat hij die nu mee vullen?
Het recht op het belijden van het geloof, waaronder begrepen het verkondigen van geloofsuitingen, is geen absoluut recht.Deze benadering van laïcisme is opmerkelijk. En dat is niet gelegen in de redengeving waarom dat voornoemde recht beperkt is – want die kan legio zijn binnen een seculiere opinie -, maar in de consequenties die dit heeft op de religieus zelf in verhouding tot zijn belevingswereld. Hij wordt namelijk afgeserveerd.
Deze verpleegkundige leeft in de volstrekte overtuiging dat een opperwezen zowel het universum, onze aarde en als laatste hem (minder direct als verpleegkundige maar als mens) geschapen heeft. Die overtuiging wordt dan terug gevonden in een boek waarvan de inhoud het Woord van dat opperwezen zou vertegenwoordigen.
De implicatie van dat Woord wordt somtijds letterlijk en dan weer allegorisch opgevat. Maar wat men er ook van moge denken: het is het opperwezen dat sprak, richtlijnen gaf en de opdracht zijn Woord onder de mensheid te verspreiden. De verpleegkundige voelde zich ‘geroepen’ en heeft dientengevolge het Woord verspreid, zij het niet naar de gunst van het Flevoziekenhuis.
Waar het nu niet om gaat is of door deze uitspraak het opperwezen, op welke grond dan ook, de mond is gesnoerd. Dit zou overigens een onterechte conclusie zijn. Het gaat ergens anders om en wel dit: de rechter (als mens) meent dat het opperwezen zich heeft te schikken naar de mores van de rechterlijke opinie. En dat is een weldegelijk een opmerkelijk verschil.
Vanuit de trap universum, aarde en mens ziet men, hoewel theologisch discutabel, dat sommige religies (en niet bij uitsluiting de islam) de ‘onderworpenheid’ aan het opperwezen als een logische inductie ziet. En daar zijn we bij de kern van de uitspraak: het Nederlands recht laat het totaal onverschillig of dat opperwezen nu bestaat of niet. En bijgevolg blijft er een totaal verwarde verpleegkundige over.
Het eerder genoemde ‘afserveren’ is in zijn essentie wezenlijk. Niet omdat de verpleegkundige niet begrepen werd, maar om zijn uitgangspositie die nu eenmaal tot de persoonlijke integriteit behoort. Daar wordt geen oordeel over geveld.
Kabouters (naar idee van Bertrand Russell) zijn van dezelfde orde als een god of welke willekeurige benaming dan ook. En dát was de consequentie waar geen rechtgeaarde gelovige vrede mee kan hebben. Als Nietzsche meent dat God dood is, is dit nog op te vatten als een dwaling, maar het ontbeerd in ieder geval een dodelijke onverschilligheid.
De verpleegkundige bleef echter hameren op het feit dat de staat een aan het opperwezen ondergeschikt uitvoeringsorgaan was. De essentie van de uitspraak begreep hij evenwel goed: het doet er namelijk niet toe of God bestaat. En daar kon hij geen vrede mee hebben. Als de rechter nog zou hebben gezegd dat God niet bestond zou hij hem uitgelachen kunnen hebben, nu stond hij met lege handen.
En dat laatste is iets waar ik wel nieuwsgierig naar ben. Waar gaat hij die nu mee vullen?
Saturday, 8 August 2009
Stichtelijke plaatjes
Geplaatst door
Pantorijn
Religieus en stichtelijk getinte plaatjes in het midden-oosten hebben doorgaans iets mierzoets. Vol kleur ziet men een tekening waarop een devote man de koran leest waarbij de toehoorders in opperste vervoering lijken te verkeren. De dadels zijn rijp, de dieren zien er goed doorvoed uit en niets lijkt er op te wijzen dat men hoeft werken om aan de kost te komen.Het is het soort genre waar elke religie wel min of meer aan toegeeft. De gedachte er achter is eenvoudig: dit is het leven wat je ten deel zal vallen als je zelf ook dat boek tot je door laat dringen. Maar dit kan natuurlijk ook de andere kant op gaan, d.w.z. dat je dat boek niet leest en er niets van moet hebben. Hoe zien die plaatjes er dan uit?
In het westen kent men bijvoorbeeld Jeroen Bosch die de hel zo heeft vormgegeven dat ook degenen die er niet in geloven er bang van worden. De christelijke kunst heeft altijd beide kanten laten zien vanuit het idee dat keuzes niet alleen gemaakt worden vanuit het aantrekkelijke maar ook vanwege de afkeer. In het midden-oosten echter, ziet men die laatste mogelijkheid niet kunstzinnig vormgegeven. En dat komt doordat het leven zelf als die andere kant wordt gezien.
Immers, voor degene die de islam beschouwen als een epileptische aanval van de profeet, loopt het in zijn in algemeenheid slecht af. Dan krijgt de vraag of er leven vóór de dood bestaat een volledig nieuwe betekenis. Daar weegt geen tekening van de hel tegenop.
Maar nu gaat het toch even om het moment wat de ongelovige overkomt wanneer deze het tijdige voor het eeuwige verwisselt. De koran is daar duidelijk en stellig in. De ongelovige wordt opgewacht door ‘engelen’ die hem onmiddellijk op het gezicht slaan, hem in de rug trappen en met geweld zijn ziel afnemen.
Dit is minder fantasierijk dan wel dat hierin zo strek naar voren komt dat de ‘gelovige’ geen enkele menselijkheid meer kan worden verweten. Een schilderij waarop staat afgebeeld wat Moeder Theresa (als niet-moslim) overkomt, enkele seconden na haar dood, zou alle proporties te buiten gaan. En dat is geen kwestie van geloof maar van een stellige zekerheid.
Godsdienstkritiek
Geplaatst door
Pantorijn
In zijn algemeenheid kan men zich verzetten tegen de denkbeelden van een autoritair politicus of staatsman die deze probeert op te dringen. Het regime evenals de sancties bij oppositie zijn echter toetsbaar en de reikwijdte van het optreden laat zich begrenzen bij leven.
Wie zich echter geconfronteerd ziet met een onzichtbaar ‘staatsman’ over wiens bestaan met geen zekerheid iets af te roepen valt, heeft het schijnbaar makkelijker: hij gelooft eenvoudig niet en verwerpt elke gedachte die deze politicus middels ‘goddelijke’ gezanten weet te verkondigen. Mogelijke sancties die om die reden kunnen worden tegengeworpen zijn verplaatst naar het ‘hiernamaals’.
Voor sommige religies ligt het echter niet zo eenvoudig. Als verweven met het leven sluit zij religie en staatsaangelegenheden als onlosmakelijk verbonden met elkaar in. Kritiek is hier tevens een staatsgevaarlijke onderneming, de politícus een ‘heilige’ en de sanctie is gebaseerd op majesteitsschennis.
Men kan dit in den aard op verschillende gronden afwijzen, wat overeind blijft is de schier beperkte dan wel apert afwezige ruimte oppositie te voeren. “Leve de godsdienstkritiek” is naar haar begrip dan ook geënt op het losgelaten idee van de eenheid tussen kerk en staat. Zolang de ‘profeet’ niet tot menselijk proporties wordt teruggebracht en het 'opperwezen' zijn invloed niet beperkt tot het privé-domein, is vruchtbare kritiek inderdaad een illusie.
Wie zich echter geconfronteerd ziet met een onzichtbaar ‘staatsman’ over wiens bestaan met geen zekerheid iets af te roepen valt, heeft het schijnbaar makkelijker: hij gelooft eenvoudig niet en verwerpt elke gedachte die deze politicus middels ‘goddelijke’ gezanten weet te verkondigen. Mogelijke sancties die om die reden kunnen worden tegengeworpen zijn verplaatst naar het ‘hiernamaals’.
Voor sommige religies ligt het echter niet zo eenvoudig. Als verweven met het leven sluit zij religie en staatsaangelegenheden als onlosmakelijk verbonden met elkaar in. Kritiek is hier tevens een staatsgevaarlijke onderneming, de politícus een ‘heilige’ en de sanctie is gebaseerd op majesteitsschennis.
Men kan dit in den aard op verschillende gronden afwijzen, wat overeind blijft is de schier beperkte dan wel apert afwezige ruimte oppositie te voeren. “Leve de godsdienstkritiek” is naar haar begrip dan ook geënt op het losgelaten idee van de eenheid tussen kerk en staat. Zolang de ‘profeet’ niet tot menselijk proporties wordt teruggebracht en het 'opperwezen' zijn invloed niet beperkt tot het privé-domein, is vruchtbare kritiek inderdaad een illusie.
Sunday, 2 August 2009
Van der Kraaij
Geplaatst door
Pantorijn
Van alle namen, dan wel in mindere zin karaktereigenschappen, die aan Allah worden toegedicht zijn er slechts een paar die niet van toepassing zijn op mevrouw Van der Kraaij, thans domicilie kiezende aan het Regentessenplantsoen 12. Zo is zij wel De Barmhartige, De Vergevingsgezinde, enz, enz, maar niet De Alles Wetende, De Grootste en De Almachtige. Oppervlakkig beschouwd is dit geen slechte score voor mevrouw Van der Kraaij die zich, en dat mag niet onvermeld blijven, geheel onbewust is van haar aangename karakter.
Maar hoe aangenaam zou zij zijn gebleven als zij wél die drie eigenschappen tot haar bezit mocht rekenen?
Het lijkt er op dat dit geen gelukkige samenleving gaat worden. Iemand die uit een raam zou schreeuwen dat zij aanbeden wil worden op straffen van een afschuwelijk lijden op aarde maar vooral in het hiernamaals, is doorgaans geen waarborg voor een ideale maatschappij.
Maar vreemd genoeg heeft de mens daar plotseling geen problemen meer mee indien die zelfde boodschap tot hem komt middels extatische zonderlingen die in contact staan met bovenaardse wezens en van deze ontmoeting een rommelig pamflet schrijven.
De reden daarvan ligt besloten in de wil tot macht. Nu dit een individuele aangelegenheid is die niet kan samenvallen met die van een ander ontstaat er kortsluiting. Een godheid is echter in staat die ander te neutraliseren en zijn of haar macht te ontnemen. Daarmee heeft men zich in eerste instantie zelf ook afgesneden van die macht, maar daar gaat het niet om. Die ander, die per definitie te wantrouwen is, heeft hem in ieder geval ook niet meer. En vanuit die zekerheid kan men rustig filosoferen hoe religie en macht ten eigen bate aan elkaar geknoopt kunnen worden.
Maar hoe aangenaam zou zij zijn gebleven als zij wél die drie eigenschappen tot haar bezit mocht rekenen?
Het lijkt er op dat dit geen gelukkige samenleving gaat worden. Iemand die uit een raam zou schreeuwen dat zij aanbeden wil worden op straffen van een afschuwelijk lijden op aarde maar vooral in het hiernamaals, is doorgaans geen waarborg voor een ideale maatschappij.
Maar vreemd genoeg heeft de mens daar plotseling geen problemen meer mee indien die zelfde boodschap tot hem komt middels extatische zonderlingen die in contact staan met bovenaardse wezens en van deze ontmoeting een rommelig pamflet schrijven.
De reden daarvan ligt besloten in de wil tot macht. Nu dit een individuele aangelegenheid is die niet kan samenvallen met die van een ander ontstaat er kortsluiting. Een godheid is echter in staat die ander te neutraliseren en zijn of haar macht te ontnemen. Daarmee heeft men zich in eerste instantie zelf ook afgesneden van die macht, maar daar gaat het niet om. Die ander, die per definitie te wantrouwen is, heeft hem in ieder geval ook niet meer. En vanuit die zekerheid kan men rustig filosoferen hoe religie en macht ten eigen bate aan elkaar geknoopt kunnen worden.
Saturday, 1 August 2009
God en dovemansoren
Geplaatst door
Pantorijn
Wie het Geheime Boek van Jacobus (NHC 1.2) heeft gelezen, moet zijn opgevallen dat Jezus de indruk achter laat een wat korzelige man te zijn die zijn leerlingen in feite verwijt er weinig van begrepen te hebben. Zeker, er is ook sprake van bemoediging, maar dat overheerst de tekst niet. In hoofdzaak komt Jezus hier over als lichtelijk getergd in de zin dat hij kennelijk tegen dovemansoren had gesproken.
Waar het Jezus kennelijk om gaat in dit stuk is de vernietiging van het ego. Waarbij dan onwillekeurig gedacht kan worden aan een parallel met het Boeddhisme die eveneens uitgaat van iemand die niemand moet worden om vervolgens iedereen te zijn d.w.z. behept met een universeel bewustzijn.
Hieruit zou men kunnen stellen dat God een status is. Die status wordt dan bereikt op het moment dat men in de ander liefde kan zien. Lukt dat met moeite, en daar is in sommige gevallen wel wat bij voor te stellen, dan mag men er vanuit gaan dat God nog even op zich laat wachten.
Nu geeft Jezus wel een aanwijzing in de goede richting met de opdracht onze ‘vijanden’ lief te hebben maar dat lijkt soms toch een te grote stap. Het is als het leren van een vreemde taal. Boeddha geeft een cursuspakket om thuis aandachtig door te nemen waarbij men met gedisciplineerd oefenen een heel eind zou moeten kunnen komen, terwijl Jezus de opdracht geeft om direct in het land te gaan wonen waar men die taal spreekt.
Maar wat je er ook van maakt, God is kennelijk de ultieme status die ander te verstaan. Op universeel niveau zou dit betekenen dat je vanaf dat moment je mond houdt en nog slechts vibreert op die ‘goddelijke’ toon. Wat je daar nu precies aan hebt is niet altijd duidelijk of het moet zijn dat die goddelijke toon of anderszins het goddelijk woord ook weer ‘vlees’ kan worden. Een beetje creëren dus.
Misschien moet de conclusie daarom wel zijn dat het maar goed is dat sommige dovenmansoren hebben.
Waar het Jezus kennelijk om gaat in dit stuk is de vernietiging van het ego. Waarbij dan onwillekeurig gedacht kan worden aan een parallel met het Boeddhisme die eveneens uitgaat van iemand die niemand moet worden om vervolgens iedereen te zijn d.w.z. behept met een universeel bewustzijn.
Hieruit zou men kunnen stellen dat God een status is. Die status wordt dan bereikt op het moment dat men in de ander liefde kan zien. Lukt dat met moeite, en daar is in sommige gevallen wel wat bij voor te stellen, dan mag men er vanuit gaan dat God nog even op zich laat wachten.
Nu geeft Jezus wel een aanwijzing in de goede richting met de opdracht onze ‘vijanden’ lief te hebben maar dat lijkt soms toch een te grote stap. Het is als het leren van een vreemde taal. Boeddha geeft een cursuspakket om thuis aandachtig door te nemen waarbij men met gedisciplineerd oefenen een heel eind zou moeten kunnen komen, terwijl Jezus de opdracht geeft om direct in het land te gaan wonen waar men die taal spreekt.
Maar wat je er ook van maakt, God is kennelijk de ultieme status die ander te verstaan. Op universeel niveau zou dit betekenen dat je vanaf dat moment je mond houdt en nog slechts vibreert op die ‘goddelijke’ toon. Wat je daar nu precies aan hebt is niet altijd duidelijk of het moet zijn dat die goddelijke toon of anderszins het goddelijk woord ook weer ‘vlees’ kan worden. Een beetje creëren dus.
Misschien moet de conclusie daarom wel zijn dat het maar goed is dat sommige dovenmansoren hebben.





